Inhalen / voorbijgaan

Examenonderdeel: INHALEN – ZIJDELINGSE VERPLAATSINGEN – VOORBIJ RIJDEN

Essentieel zijn:

  • belangen andere weggebruikers
  • kijkgedrag
  • voor laten gaan
  • plaats op de weg

Goed kijken, dus binnenspiegel, buitenspiegel en links naast je. Richting aangeven, netjes verplaatsen en na het inhalen of voorbijrijden weer binnenspiegel kijken, buitenspiegel en rechts naast je. Richting aangeven en weer netjes naar rechts komen.

Let er ook op dat je de snelheid afstemt op het in te halen object. De afstand is die je houd t.o.v. het object is mede afhankelijk van je snelheid. Duidelijker: als je er dichter langs rijd, houd je meer afstand!

Inhalen is een bijzondere manouvre, waarbij je het overige verkeer voor moet laten gaan.

De plaats op de weg is van toepassing als er te dicht langs het in te halen object wordt gereden.
Even onthouden! De ruimte langs fietsers moet minimaal1, 5 meter zijn!
Als je er niet langs kunt, even wachten en een beter moment afwachten.