Kruispunten

Examenonderdeel: GEDRAG NABIJ EN OP KRUISPUNTEN EN AFSLAAN

Essentieel zijn:

* belangen andere weggebruikers
* kijkgedrag
* snelheid
* reageren op verkeerslichten en aanwijzingen (van b.v. politieagenten)
* voorrang / voor laten gaan

Bij het oversteken van kruisingen goed opletten! Dat is de kern. Doe dit zoals je dat geleerd hebt, dus in een waaier kijken op de kruising.
Wanneer je een B6-of B7-bord nadert (haaietandbord of stopbord) nog uitdrukkelijker je kijktechniek laten zien, dus maak onderscheid tussen kruispunten waar je voorrang hebt en waar je voorrang moet verlenen.

Bij het kijken is uiteindelijk van belang hoe vaak niet goed of niet wordt gekeken. Een enkele keer niet kijken is geen probleem, tenzij dit natuurlijk grote gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid. (AEX gaat dan tellen)
De manier waarop gekeken wordt is ook van belang!
Kijk niet alleen, maar neem bewust waar!

Snelheid afstemmen op de verkeerssituatie. Bij bord B6-B7? het bord zo naderen dat het vertrouwen wordt gewekt dat je voorrang zult verlenen. Ook moet je nog ruim voor de kruising kunnen stoppen als dat noodzakelijk mocht zijn.

Let op de snelheid. Bij te hoge snelheid kunnen bochten te ruim worden en dan klopt de plaats op de weg niet meer. In de bocht de snelheid alweer opvoeren.
Bij een te lage snelheid gaat de examinator je geen snelheid verwijten, maar niet aangepast rijden.
Dit kan je op je uitslagformulier teruglezen.
Staat er bijvoorbeeld examenonderdeel afslaan met als item van beoordeling ‘snelheid’ betekent dit dat het te hard ging. Staat er daarin tegen ‘aangepast/besluitvaardig’ betekent dit dat je te langzaam ging.
(uitzondering: het invoegen op de autosnelweg)

Let op de verkeerslichten! Geel licht (oranje) betekent stoppen als dat nog kan. Als er vlak achter de auto zwaar verkeer rijd, doorrijden als het je te gevaarlijk lijkt om te stoppen!

Voorrang verlenen en voor laten gaan is natuurlijk essentieel!