En NU mijn auto uit

Een gestoorde leerling III

We schrijven het begin van mijn carriere als instructeur en ik moet ergens in een achterbuurt van Gouda een meisje ophalen die al bij meerdere instructeurs gereden heeft. Het is de gewoonte om dan eerst eens te vragen wat haar niet zinde aan mijn collega’s want het hebben van nare ervaringen moet je altijd voorkomen. Leerlingen moeten op hun instructeur kunnen vertrouwen en meer zelfs … zich op hun gemak voelen.

Na een vrij normaal, ietwat begrijpelijk afstandelijk gesprek, gaan we rijden en tijdens de rit verandert de sfeer al snel. Er wordt snel gescholden op alles en iedereen en ik word zeker niet geschuwd en kan ook scheldwoorden naar mijn hoofd krijgen.
De route is veel te moeilijk, de auto deugt niet en ik krijg de indruk dat ik niks meer goed kan doen. Woorden als ‘kut’, ‘klootzak’ en ‘lul’ zitten in bijna elke zin.
Tijd om de auto even aan de kant te zetten en te klesen met elkaar. Misschien is ze wat gespannen en heeft ze haar dag niet, maar als ik dat opper kan ik de wind van voren krijgen. Het is allemaal onzin wat ik zeg!
De les duurt lang en dan is een uur opeens erg lang, maar we komen bij haar huis aan. Boos stapt ze uit en de volgende les gaat het precies zo. Ik kan er maar niet doorheen komen. Misschien ligt het toch wel aan mij denk ik als beginnend instructeur en stel voor het bij een collega van dezelfde school te proberen. Wellicht dat mijn vrouwelijke collega meer succes heeft, maar dat valt totaal verkeerd bij haar. “Zie je nuw el dat je mij niet mag en aardig vind. Je wil me weer gewoon dumpen” is haar antwoord en wat ik ook probeer … niks werkt.
Als ik haar op een gegeven moment de snelweg op stuur, begint ze weer op mij te schelden. Ik ben een klootzak en moet voor de les melden dat ik de snelweg op ga met haar. En dan … slaan de stoppen bijna door bij mij.
Ja, je kunt heel ver gaan bij mij, maar er zijn grenzen. Zelf bij mij!

Ik zet de auto aan de kant ergens in Gouda en open voor haar langs haar deur en het enige wat ik zeg is “en nu uitstappen”. Zonder een woord te zeggen, stapt ze verschrikt uit. Ik trek de deur dicht en rijd vanaf mijn kant weg. Ik neem niet meer de moeite in mijn binnenspiegel te kijken. Alles wat ik wil is haar niet vermoorden, dus kan ik beter weg rijden en wel zo snel mogelijk.

Ik kan mij sindsdien goed voorstellen dat er mensen zijn die uit blinde woede een ander vermoorden. Ik was er zelf bijna toe in staat geweest!